DE MOLEN



De stenen

In de molen vinden we de maalstenen. Deze stenen worden gebruikt voor het malen van verschillende soorten graan. Het graan wordt in een grote houten trechter gegooid. Get graan valt door het kropgat tussen de stenen en die malen het graan tot meel. Het meel valt door de meelpijp. De molenaar vangt het meel op in een grote zak.

Luiwerk

Het luiwerk wordt gebruikt voor het ophijsen (luien) van zaken graan. De zakken worden met een simpele klem (een 'molenaartje') aan het luitouw vastgemaakt. Het afschietwerk is een touw dat bovenin door een katrol loopt. Bij veel molens wordt het luiwerk ook gebruikt voor het afschieten. De luitafel wordt dan als rem gebruikt, zodat de zak niet met een klap op de grond komt. Voor het luien wordt de wind dus ook gebruikt net als voor het malen. Het luiwerk is een handige uitvinding want anders zou de molenaar de zware zakken zelf naar boven moeten brengen.

Kap (Bovenkruier)

De kap is het bovenste gedeelte van de molen. Hier vinden we de as waaraan de wieken bevestigd zijn. Die as brengt meerdere tandwielen (De bovenas en het bovenwiel) in beweging waardoor de maalstenen gaan draaien. 

Kruiwerk

De wieken moeten pal op de wind worden gezet. Daarvoor wordt het kruiwerk gebruikt. Het kruiwerk bestaat uit een aantal grote balken. Die balken zitten vast aan de kap. In de kap zitten ijzeren rollen. Die moeten in beweging worden gebracht. Onderaan zit het kruiwiel. Als de molenaar aan het kruiwiel draait trekt de ketting strak en draait de kap inclusief wieken totdat die loodrecht op de wind staan. 

Vang

Als je de molen stil wilt zetten moet je remmen (vangen). Als je het touw dat aan de wipstok hangt laat vieren remt de molen. Als je aan het touw trekt gaat de rem er weer alf en gaan de wieken weer draaien. Als de molen op de rem staat moet je het touw goed vastzetten anders zou de molen uit zichzelf kunnen gaan draaien. Hoe de vang precies werkt is een lang en ingewikkeld verhaal.

Wieken

Het 'gevlucht' of 'wiekenkruis' bestaat uit vier wieken en is bevestigd aan de bovenas in de askop. Het gevlucht staat achterover onder een hoek van twaalf graden om te voorkomen dat de wieken tegen de molen slaan. Doordat de bovenkant van de molenromp smaller is dan de onderkant zou anders de as te ver uit de kap van de molen steken. Ook voorkomt het dat de bovenas door het gewicht van het gevlucht naar voren schuift.

De balken waaraan het hekwerk van de wieken bevestigd zit heten de roeden. Aan de roeden zitten borden. Meer informatie over de borden en de zeilen staan verder op deze pagina.

Foksysteen met remkleppen

De fokwiek is een verbetering van het gevlucht, bedoeld om meer wind te vangen. Eerst wilden molens met weinig wind niet goed draaien, maar na het aanbrengen van de fokzeilen lukte het om ook met weinig wind te draaien. Het zijn kromme houten borden die de wind goed kunnen vangen. Bij fokwieken ligt het zeil meestal aan de voorkant achter de zeilklampen.

De remkleppen gaan open als het hard gaat waaien en zo regelen ze de snelheid.

Vier volle zeilen

Zeilen

De zeilen worden gebruikt om meer wind te vangen. De molenaar rolt de zeilen uit. Ze worden op de wieken gespannen. De molenaar legt een knoop en de zeilen zitten wast. Hoeveel zeil de molenaar voor legt, hangt af van de wind. Bij weinig wind zit er niets anders op dan alle vier de wieken helemaal met zeil te bedekken. Bij harde wind zijn de zeilen niet nodig en kan de molenaar er zelfs voor kiezen on enkele borden eruit te halen. Er zijn veel verschillende variaties van de zeilvoering. Als het harder gaat waaien kun je bijvoorbeeld twee zeilen oprollen of zeilen half oprollen (zwichten). Vroeger werden zeilen van linnen of hennep gemaakt. Tegenwoordig zijn de zeilen van katoen. 

Zeilvoering

1: 'Volle zeilen'

2: 'Duikertje'

3: 'Lange halve'

4: 'Halve'

5: 'Hogelijn'

6: 'Stormeindje'

Zonder zeilen : 'met blote benen'

zonder borden: 'met geknipte nagels'

Molentaal

De molenaar kan met de wieken van de molen iets aan de omgeving duidelijk maken. Vreugde of rouw. Soms worden de wieken ook versierd. bijvoorbeeld op koningsdag. 

Rouw: De wieken zijn 'gaand', dat betekent dat de onderste wiek het lijf van de molen net is gepasseerd. Zo word de molen gezet als er iemand overleden is of bij een herdenking.

Vreugd: De wieken zijn 'komend', dat betekent  dat de onderste wiek bijna bij het lijf van de molen is. Zo word de molen gezet bij vreugdevolle gebeurtenissen en feesten.

Korte rust: De wieken staan helemaal recht. Soms werkt de molenaar een paar dagen niet. Dan zet hij de wieken in korte ruststand. De wieken lijken dan op een +.

Lange rust: De wieken staan in het kruis. Als de molen een langere tijd niet zal draaien worden die wieken in de lange ruststand gezet. Het water blijft zo minder op de roeden staan en is de kans op een bliksemslag iets kleiner.


2 Lange halve en 2 halve zeilen

Wind

De molenaar is afhankelijk van de wind. Met te veel wind draaien is niet verstandig maar met te weinig wind kan een molen niet draaien. Bij harde wind haalt de molenaar de borden eruit. Maar als het te hard waait moet de molenaar de molen stil zetten. Bij storm kruit de molenaar de kap zo, dat de wieken precies in de wind staan. Zo heeft de wind de minste greep op de wieken. Bij weinig wind kun je met behulp van de zeilen het oppervlak van de wieken vergroten. De hoeveelheid zeil kun je aan de hoeveelheid wind aanpassen.

Onweer

De meeste molenbranden ontstonden vroeger door storm of onweer en inslaande bliksem. Tegenwoordig is dat veel minder. In de 19e eeuw werden bliksemafleiders gebruikt. De bliksemafleider wordt aan een van de ijzeren roeden vastgemaakt, die worden verbonden met koperen ringleidingen. De ringleiding is dan weer verbonden met een ijzeren staaf die een aantal meter de grond ingaat. Als de bliksem inslaat gaat het dus de grond in.